Diabetes mellitus wordt in de volksmond vaak suikerziekte genoemd. Als de alvleesklier geen of onvoldoende insuline meer aanmaakt ontstaat diabetes. Het hormoon insuline speelt een belangrijke rol in onze stofwisseling en zorgt ervoor dat suiker uit het bloed in de cellen kan gaan. Na een maaltijd worden koolhydraten omgezet in suikers (enkelvoudige koolhydraten) waarna ze opgenomen kunnen worden in het bloed. Suiker hoeft niet te worden omgezet, deze kunnen direct door het bloed worden opgenomen. Door de suikers zal de bloedsuikerspiegel stijgen, door het gebrek aan insuline worden de suikers niet door de cellen opgenomen waardoor de bloedsuikerspiegel te hoog wordt.

Met een diabetes dieet wordt voorkomen dat de bloedsuikers door de voeding te veel stijgen.

Soorten diabetes

Er zijn 2 soorten diabetes: diabetes type 1 en diabetes type 2.

Diabetes type 1
Diabetes type 1 komt het minst voor, 1 op 10 diabetes patiënten heeft diabetes type 1. Bij diabetes type 1 maakt het lichaam helemaal geen insuline meer aan. Door een fout van het afweersysteem worden de cellen welke insuline aanmaken vernietigd. Het is bij deze vorm van diabetes daarom nodig dat men insuline spuit of gebruik maakt van een insulinepomp.

Diabetes type 2
Deze vorm van diabetes komt het vaakst voor, 9 op 10 diabetes patiënten heeft diabetes type 2. Het lichaam maakt nog wel insuline aan, echter onvoldoende. Daarnaast is het lichaam ongevoelig voor insuline geworden waardoor het lichaam niet meer op insuline reageert zoals het zou moeten reageren. Meestal is het bij diabetes type 2 niet nodig dat men insuline spuit, meestal zijn voedings- en bewegingsadviezen en medicijnen voldoende.

Erfelijke aanleg vergroot de kans op het ontwikkelen van diabetes type 2, maar omdat overgewicht, onvoldoende beweging en roken de kans op diabetes type 2 aanzienlijk vergroten wordt diabetes type 2 ook wel een welvaartsziekte genoemd. Bij erfelijke aanleg kan door de juiste voeding, door het volgen van een diabetes dieet, en een gezonde leefstijl diabetes type 2 voorkomen worden of in ieder geval worden uitgesteld.

Hoe ziet een diabetes dieet eruit?
Er zijn verschillende diëten welke men kan volgen bij diabetes, wat deze diabetes diëten altijd met elkaar gemeen hebben is dat de basis bestaat uit gezonde en verse voeding. Door gebruik te maken van verse voedingsmiddelen weet je bovendien precies wat er in voeding zit. Diabetes patiënten hebben een verhoogde kans op hart- en vaatziekten, daarom is het belangrijk om hier bij de voeding rekening mee te houden zodat het cholesterolgehalte niet te hoog wordt. Voldoende beweging hoort hier ook bij.

Regelmatig eten
Bij een diabetes dieet is het de bedoeling dat de bloedsuikerspiegel zo stabiel mogelijk blijft. Het is daarom zaak om regelmatig te eten, 3 maaltijden per dag op vaste tijdstippen, waarbij op vaste tijdstippen een tussendoortje wordt gegeten. Dit draagt bij aan een zo stabiel mogelijke bloedsuikerspiegel.

Oppassen met suiker
Het spreekt voor zich dat men moet oppassen met suiker. Door suiker zal de bloedsuikerspiegel snel stijgen en dat wil je met diabetes absoluut voorkomen. Het gevaar met suiker is dat het in veel producten is verwerkt waarbij je het niet direct verwacht. En het gebruik van suiker staat niet altijd duidelijk op de verpakking aangegeven. Zo bestaat ontbijtkoek voor 40% uit suiker! Wat op de verpakking staat aangegeven als glucose-fructosestroop.

In vleeswaren zoals spek, ham, rosbief, worsten, patés zijn vrijwel altijd (geraffineerde) suikers verwerkt, dit staat dan op de verpakking aangegeven als dextrose. Verder worden in bijna alle sauzen suikers verwerkt.

Er zijn ruim 120 verschillende soorten benamingen voor suiker terug te vinden op de verpakkingen in de Nederlandse supermarkten. Veel gebruikte benamingen welke men gebruikt om het gebruikte type suiker aan te geven zijn dextrose, fructose, glucose, melasse, sacharose en sucrose. Bij alles wat eindigt op ‘ose’ mag je er vanuit gaan dat dit een vorm van suiker is, verder worden er termen gebruikt als stroop, siroop, honing en nectar om het gebruik van suikers te maskeren.

Koolhydraten
Koolhydraten zijn naast vetten en eiwitten één van de drie energiebronnen van ons lichaam. Koolhydraten komen veel voor in voedingsmiddelen zoals brood, pasta en aardappelen. Om de energie uit de koolhydraten te kunnen gebruiken zal het lichaam deze in het spijsverteringskanaal eerst moeten omzetten tot enkelvoudige koolhydraten (suikers). Het lichaam kan dan via het bloed de suikers opnemen en het lichaam van energie voorzien. Sommige koolhydraten welke we eten zijn al enkelvoudig en kunnen snel door het bloed worden opgenomen waardoor ook de bloedsuikerspiegel snel zal stijgen. Dit zijn suikers, fruit, frisdrank en vruchtensappen.

Meervoudige koolhydraten zoals tarweproducten, pasta en aardappelen zullen door het lichaam afgebroken worden tot enkelvoudige koolhydraten waarna ze door het bloed worden opgenomen. Omdat de koolhydraten van tarweproducten zoals brood en pasta vrij snel af te breken zijn tot enkelvoudige koolhydraten kunnen deze voedingsmiddelen een ongewenst snelle stijging van de bloedsuikerspiegel tot gevolg hebben. Er zijn ook voedingsmiddelen welke meervoudige koolhydraten bevatten welke moeilijker om te zetten zijn in enkelvoudige koolhydraten. Dit wordt vaak aangeduid als langzame of goede koolhydraten.

Voedingsmiddelen zoals zoete aardappels, volkorenbrood, volkoren pasta, peulvruchten, groenten, magere melk en yoghurt zijn goede bronnen van langzame koolhydraten. Langzame koolhydraten hebben de voorkeur bij diabetes omdat de suikers gelijkmatiger in het bloed komen waardoor er minder grote schommelingen in de bloedsuikerspiegel ontstaan. Bronnen van snelle / slechte koolhydraten zijn suiker, vruchtensap, honing, (wit)brood, witte pasta, witte rijst en gebakken aardappels.

Vetzuren
Behalve de tijdstippen waarop men eet, is wat men eet (en niet eet) ook belangrijk. Vanwege het verhoogde risico op hart- en vaatziekten is het van belang dat men het gebruik van voedingsmiddelen met verzadigd vet zoveel mogelijk beperkt of voorkomt. Door de beperking van verzadigd vet zal het cholesterolgehalte niet te hoog worden. Verzadigd vet komt voor in voedingsmiddelen zoals volle melk, harde margarine, snacks, gebak en dierlijke producten zoals (vet) vlees.
Onverzadigde vetten verlagen in tegenstelling tot verzadigde vetten het cholesterolgehalte. Voorbeelden van onverzadigde vetten zijn omega 3 (linoleenzuur) en omega 6 (linolzuur) en is in bepaalde margarines en bak- en braadproducten verwerkt. Goede natuurlijke bronnen van onverzadigde vetzuren zijn vette vissoorten en noten.